|
De ontwikkeling van een gehoorverlies vindt meestal heel geleidelijk plaats. Als eerste worden de zachtere geluiden niet meer hoorbaar. Denk hierbij aan het tikken van de klok, het ruisen van bladeren in de wind en vogelzang. Het vermogen van het oor om verschil van intensiteiten van geluiden te kunnen onderscheiden, is afgenomen. Daarnaast kan het oor ook de verschillen in toonhoogten niet meer optimaal thuisbrengen. Dit fenomeen treedt vaker op in de hoge tonen dan in de lage, waardoor lagere frequenties gaan domineren over de hogere. Deze klankverandering resulteert in een afname van het vermogen om voor spraak belangrijke klankpatronen te herkennen.
Klinkers en medeklinkers uit onze taal zijn opgebouwd uit complexe combinaties van deze intensiteiten en toonhoogtes. De mate van beiden is letterspecifiek. Met andere woorden, bij een verlies van deze intensiteiten en toonhoogtes (klankpatronen), zullen bepaalde letters eerder buiten het hoorbereik van de slechthorende gaan vallen dan anderen. Het vermogen om goed te kunnen "focussen" op deze letterdelen neemt af (zie afbeelding boven).
Dit letterspecifieke verlies resulteert in een verminderd vermogen om de op zich staande spraakdelen aan elkaar te plakken. In plaats van "BETER VERSTAAN" wordt "BEER ERAAN" gehoord. Een minder gunstige achtergrond, zoals tijdens een feest of bijeenkomst waar veel lawaai is, zorgt ervoor dat het focusverlies velen malen groter wordt (zie afbeelding). Het is daarom dat de meeste slechthorenden aangeven "Ik hoor wel van alles, maar ik kan het niet verstaan". |


